AR.NO.: 994674. Kortgeding Jankie tegen de Staat Suriname
Notitie bij art. 5, lid 2, van de Toescheidingsovereenkomst
(verband houdende met de rechtzaak M. Jankie tegen de Staat Suriname)
TEKST
Artikel 5, lid 1
Meerderjarige Nederlanders die in Suriname zijn geboren of die, buiten Suriname
geboren zijnde, behoren tot een van de in artikel 4 onder b omschreven groepen van
personen en die op het tijdstip van de inwerkingtreding van deze Overeenkomst buiten
Suriname hetzij woonplaats, hetzij werkelijk verblijf hebben, verkrijgen ook buiten
Suriname de Surinaamse nationaliteit door voor 1 januari 1986 hun wil daartoe te kennen te geven.
Artikel 5, lid 2
De in lid 1 bedoelde personen hebben het recht te allen tijde met hun gezin
onvoorwaardelijk tot Suriname te worden toegelaten en daar in alle opzichten als
Surinamer te worden behandeld. Zij verkrijgen van rechtswege de Surinaamse
nationaliteit, indien zij gedurende twee jaren in Suriname hetzij woonplaats, hetzij
werkelijk verblijf hebben.
TOELICHTING
1. Hoewel veel bepalingen uit de Toescheidingsovereenkomst aan een termijn
gebonden zijn, is de overeekomst zelf niet aan een termijn gebonden en zal zijn
werking blijven behouden enerzijds vanwege enkele bepalingen die niet aan tijd
zijn gebonden of waarvan de termijn nog niet is verstreken, anderzijds als
referentiekader voor rechtsgeschillen.
2. De bepaling in lid 2 van artikel 5 TO, dat in Suriname geboren meerderjarige
Nederlanders, die op 25 november 1975 buiten Suriname woonden en zich na die
datum in Suriname vestigden, na twee jaren van rechtswege de Surinaaamse
nationaliteit verkregen, was volgens Nederland niet aan een termijn gebonden.
Voor de regeling in lid 1 van hetzelfde artikel was wel een termijn vastgesteld,
n.l. tot 1 januari 1986. Volgens Surinaamse opvattingen gold voor artikel 5 lid 2
TO dezelfde termijn als die welke in art. 5 lid 1 TO is aangegeven, n.l. tot
1 januari 1986. We zullen hier niet ingaan op de argumenten die elk der partijen
heeft gebruikt om het eigen standpunt te verdedigen, omdat door de wijziging van
het gewraakte artikellid het rechtsgeschil is bijgelegd.
3. Suriname weigerde vanaf 1 januari 1986 aan personen die onder de bepaling van
art. 5 lid 2 vielen de nationaliteitsverkrijging van rechtswege te bevestigen en hen
van de nodige documenten te voorzien. Daardoor ontstond de situatie dat
Nederland ervan uitging dat bedoelde personen de Surinaamse nationaliteit
hadden verworven, terwijl Suriname zich op het standpunt stelde dat deze
personen de Nederlandse nationaliteit hadden behouden. Dit had tot gevolg dat
betrokkenen de facto staatloos werden. Omdat Suriname haar zienswijze m.b.t
art. 5 lid 2 nooit officieel en juridisch onderbouwd bekend heeft gemaakt, heeft de
situatie van staatloosheid voor degenen die zich na 1 januari 1984 in Suriname
hadden gevestigd jarenlang geduurd met alle pijnlijke gevolgen vandien. Hoewel
reeds tijdens het overleg in 1989 dit onderwerp ter sprake was gekomen duurde
het toch nog tot 1994 alvorens Suriname en Nederland overeenstemming
bereikten inzake een wijziging in de TO. In feite werd Nederland op grond van
artikel 14 lid 2 van de Rijkswet op het Nederlanderschap gedwongen zich neer te
leggen bij het Surinaamse standpunt. Dit artikel zegt: "Geen verlies van het
Nederlanderschap uit welken hoofde ook heeft plaats indien staatloosheid daarvan
het gevolg zou zijn," (zie o.a. HR 7-4-1989, NJ 1990, 791) Op 14 november 1994
is een protocol getekend door Nederland en Suriname ter wijziging van de
Toescheidingsovereenkomst. De belangrijkste wijziging betrof artikel 5, in dier
voege dat de tweede zin van art. 5 lid 2, luidende: "Zij verkrijgen van rechtswege
de Surinaamse nationaliteit, indien zij gedurende twee jaren in Suriname hetzij
woonplaats, hetzij werkelijk verblijf hebben", met terugwerkende tot
1 januari 1986 is komen te vervallen. Deze ingreep heeft in elk geval het
probleem van de staatloosheid opgelost, omdat allen die als gevolg van het
Surinaamse standpunt inzake art. 5 lid 2 staatloos waren geworden, de
Nederlandse nationaliteit hebben herkregen (volgens Suriname 'behouden').
4. De twee bepalingen van artikel 5 lid 2 waren op elkaar afgestemd en vulden
elkaar in feite aan. Zij hadden als doel de remigratie te bevorderen. De regeling
inzake de toelating tot Suriname en de behandeling als Surinamer diende om de
inburgering van de remigrant in de Surinaamse maatschappij te vermakkelijken
(door hem als het ware te laten voelen dat hij thuis is gekomen) en de regeling
betreffende de verkrijging van de Surinaamse nationaliteit van rechtswege na
twee jaar verblijf in Suriname om hem gelegenheid te geven zich gedurende twee
jaren een bestaan in Suriname te verwerven zonder consequenties voor zijn
nationaliteit. De remigrant zou immers afgeschrikt worden indien een keuze voor
vestiging in Suriname gelijk zou staan met een keuze voor de Surinaamse
nationaliteit hetgeen onmiddelijk verlies van de Nederlandse nationaliteit tot
gevolg zou hebben.
5. In de bepaling zoals die (op grond van de wijziging van 14 november 1994) gold
voor 1 januari 1986 had de onvoorwaardelijke toelating en de behandeling in alle
opzichten als Surinamer voor de individuele remigrant slechts gevolgen voor de
duur van twee jaren. Na twee jaren kreeg hij immers de Surinaamse nationaliteit,
die een einde maakte aan zijn uitzonderingspositie. Omdat door de wijziging van
de Toescheidingsovereenkomst de nationaliteitsverkrijging van rechtswege na
twee jaren verblijf in Suriname op aandrang van Suriname is vervallen, is het
recht op onvoorwaardelijke toelating en behandeling als Surinamer voor de
individuele remigrant niet meer voor de duur van twee jaren van toepassing, doch
voor een onbepaalde termijn, en wel zolang hij de Nederlandse nationaliteit bezit.
Dit heeft tot gevolg dat voor de in art. 5 lid 1 genoemde personen de Nederlandse
nationaliteit gelijkgesteld is met de Surinaamse. Dit lijkt absurd, doch het feit dat
de bepaling is gehandhaafd en de ondubbelzinnige bewoordingen waarin de
bepaling is vervat maken enige beperking of andere uitleg in feite onmogelijk.
Dat is al gebleken in 1982 toen Suriname getracht heeft de art. 5 lid 2 verleende
rechten m.b.t. de onvoorwaardelijke toelating aan banden te leggen door voor te
stellen ze zodanig te interpreteren, dat ze beperkt kunnen worden in het belang
van de nationale veiligheid, de openbare orde en ter bescherming van de
volksgezondheid en de goede zeden. Nederland wees dit voorstel af omdat zij van
oordeel was, dat er hier geen sprake was van interpretatie, maar van een wijziging
in de strekking van de in artikel 5 lid 2 omschreven rechten.
6. Men kan zich natuurlijk afvragen of na de wijziging van artikel 5 lid 2 van de
Toescheidingsovereenkomst handhaving van de bepaling inzake de onvoor-
waardelijke toelating en behandeling als Surinamer nog zin heeft. Handhaving
hiervan brengt immers onvermijdelijk met zich mee dat het voor personen op
wie de regeling van toepassing is niet nodig is de Surinaamse nationaliteit te
verweven. Ook zonder de Surinaamse nationaliteit immers kunnen zij zich
ongehinderd met dezelfde rechten en plichten als Surinaamse burgers in
Suriname vestigen. De vraag rijst of de partijen in het overleg niet ondoordacht te
werk zijn gegaan door art. 5 lid 2 niet in zijn geheel te laten vervallen. Veeleer
moeten we er echter van uitgaan, dat men met deze regeling ondanks de
verregaande consequenties een bedoeling heeft. Zij wordt beschouwd als een
privilege voor de in art. 5 lid 1 TO omschreven groepen van personen waarvan
verondersteld wordt dat zij nog een nauwe band met Suriname hebben. Bijna
allen hebben nog familieleden en/of vrienden in Suriname, velen hebben daar nog
bezittingen en eenieder heeft wel een meer of minder sterk verlangen om ooit nog
eens naar zijn of haar land terug te keren. Inmiddels heeft een groot deel een
opleiding in het buitenland gevolgd en behoort tot het academisch of technisch
gevormd kader, waaraan in Suriname grote behoefte bestaat. Daarnaast kunnen
ook degenen die hun uitkering mogen exporteren vanwege hun waardevaste
valuta-inkomen een belangrijke bijdrage aan de economische opbouw van
Suriname leveren. (Op 1 april 2000 is in Nederland de nieuwe Remigratiewet van
kracht geworden, die aan in Suriname geboren personen met de Nederlandse
nationaliteit een vast inkomen garandeert indien zij zich in Suriname vestigen.)
De wens om deze Nederlanders van Surinaamse orgine zo weinig mogelijk
obstakels in de weg te leggen in de hoop dat dit zal helpen om de terugkeer naar
Suriname te bevorderen ligt de motivatie tot handhaving van deze regeling.
Omdat bedoelde bepaling dus nog steeds deel uitmaakt van het verdrag zijn
partijen derhalve gehouden deze na te leven. Wijziging of afschaffing hiervan kan
slechts in onderling overleg tot stand worden gebracht.
7. De in in artikel 5 lid 1 TO omschreven groepen van personen hebben na het
expireren van de optieregeling (art. 5 lid 1 TO) en de naturalisatie van rechtwege
(art. 5 lid 2 TO) geen andere mogelijkheid om het Surinamerschap te verwerven
dan via de in de Wet tot regeling van het Surinamerschap en het ingezetenschap
voorkomende naturalisatieregeling. Om hiervoor in aanmerking te komen moet
men op zijn minst vijf jaren in Suriname woonachtig zijn geweest. Dit is een
belemmering voor diegenen uit bovengenoemde groepen die zich in Suriname
willen vestigen en voor de Surinaamse nationaliteit wille kiezen. In het dagblad
De Ware Tijd van 4 januari 1986 werd reeds bericht dat voor genoemde personen,
die getroffen zijn door het wegvallen van het optierecht en de nationaliteits-
verkrijging van rechtswege, een verkorte naturalisatieprocedure in het leven zou
worden geroepen. Het is betreurenswaardig dat dit tot op heden niet is gebeurd.
8. De visumplicht voor Surinamers is eenzijdig door Nederland ingevoerd. Hoewel
het gebruikelijk is dat bij de invoering van een visumplicht voor burgers van een
land vooraf overleg met dat land wordt gevoerd of het betreffende land
minstens hiervan vooraf op de hoogte wordt gesteld, kunnen er omstandigheden
zijn die het noodzakelijk maken van deze procedure af te zien. Dit was het geval
bij de invoering van de visumplicht voor Suriname. Het doel hiervan was om de
grote stroom Surinamers naar Nederland, welk fenomeen noch het belang van
Suriname noch dat van Nederland diende, in te dammen. Gezien in dit licht is het
gemakkelijk te begrijpen waarom Nederland Suriname niet van tevoren op de
hoogte heeft gesteld. Indien men immers lucht had gekregen van het invoeren van
een visumplicht voor de Surinaamse burgers zou de exodus voor het tijdstip van
de invoering juist enorm zijn toegenomen, zoals dit ook is gebeurd in de periode
voor de onafhankelijkheid.
9. Wat de invoering van de visumplicht betreft zijn aan Nederland verdragsmatig
geen beperkingen opgelegd, Hoewel Suriname even autonoom is als Nederland
met betrekking tot het invoeren van de visumplicht, is er toch een verschil. Wat de
toepassing van de visumplicht betreft is Suriname immers wel verdragsmatig aan
een beperking gebonden. Op grond van de bepaling in art. 5 lid 2 had Suriname
voor de in Suriname geboren meerderjarige Nederlanders, die op 25 november
1975 buiten Suriname gevestigd waren en die zich na die datum eventueel met
hun gezin in Suriname wilden of nog willen vestigen, vrijstelling moeten verlenen
van de visumplicht, Zij zijn het immers die volgens het genoemde artikellid het
recht hebben te allen tijde, eventueel met hun gezin, onvoorwaardelijk tot
Suriname te worden toegelaten en daar in alle opzichten als Surinamer te worden
behandeld.
CONCLUSIE
Uit de stukken m.b.t. de rechtzaak van de heer M. Jankie tegen de Staat Suriname blijkt
dat hij behoort tot de personen op wie de bepaling van art. 5 lid 2 TO van toepassing is.
In concreto heeft hij geeist dat hij op de kiezerslijst wordt geplaatst om mee te kunnen
doen met de verkiezingen. Kiezen is misschien niet zozeer het probleem als wel het
gekozen worden. Dit laatste is meer een theoretische kwestie. Om gekozen te worden
moet men immers door een aantal sluizen alvorens men daadwerkelijk in de volks-
vertegenwoordigende lichamen komt. De eerste en belangrijkste sluis is de politieke
partij die kandidaten stelt. Een partij die weet dat een kandidaat een vreemde nationaliteit bezit zal deze zeker niet op de lijst plaatsen, tenzij bij vergissing zoals wel is
voorgekomen. De kans dat een niet Surinamer presidentskandidaat wordt is dus zo goed
als uitgesloten. Theoretisch blijft het echter op grond van art. 5 lid 2 TO mogelijk.
Concluderend kan gezegd worden, dat naar mijn mening de tekst van art. 5 lid 2 TO en
met name de woorden "in alle opzichten" het niet toelaat een dusdanige beperking aan te
brengen dat het voor de in art. 5 lid 1 TO omschreven groepen niet mogelijk zou zijn in
actieve of passieve zin aan de verkiezingen deel te nemen.
Mr. P.D. Haarmans Paramaribo, 3 augustus 2000